Gangenpaarden

De meeste paarden hebben drie verschillende gangen: stap, draf en galop. Paarden die ook nog andere gangen beheersen worden gangenpaarden genoemd. Meestal gaat het om een of twee extra gangen: tölt en/of telgang. De oerpaarden gebruikten de tölt om te lopen over een harde ondergrond, omdat de tölt geen zweefmoment kent en de gewrichten dus niet iedere keer bij de landing een klap krijgen. En wanneer die paarden moesten vluchten deden ze dat voornamelijk in telgang. Bij het fokken zijn de tölt en telgang echter bij de meeste rassen verloren gegaan. Erg jammer, want met name de tölt is een zeer comfortabele gang; vergelijkbaar met de draf, maar dan zonder het "gebonk" omdat er geen zweefmoment in voorkomt en er dus ook geen periodieke landing plaatsvind.

De bekendste gangenpaarden zijn de IJslanders, maar er zijn nog diverse andere rassen waarbij extra gangen voorkomen. Relatief onbekend is dat ook veel dravers gangenpaarden zijn. Mijn paard Jack - een draver - bleek in de vijf-gangen categorie te vallen, maar het was in eerste instantie moeilijk om aan informatie te komen hoe dat nu precies werkt met die twee "extra" gangen. Instructeurs en/of trainers die verstand hebben van die extra gangen zijn zeldzaam, of het moet een IJslander instructeur zijn, maar die weten doorgaans weer weinig van western rijden en andere niet-IJslander specifieke eigenschappen, rijmethoden en tuigage.

Het rijden met gangenpaarden vereist wat meer gevoel dan het rijden van andere paarden. Sommige gangen zoals de tölt en de draf zijn even snel en het paard kan tussen deze gangen frequent en spontaan wisselen, of iets gaan rijden wat tussen die gangen in ligt. Zowel voor het paard als de ruiter is dat erg vermoeiend. Het is een hele uitdaging om alle gangen goed te kunnen berijden. Lange buitenritten zijn wat dat betreft een goede leermeester.

Hieronder een overzicht van de verschillende gangen. Dit overzicht is niet compleet: Onder de diverse rassen blijken subtiele variaties van de tölt voor te komen die elk een eigen naam hebben; ik gebruik hier de tölt eigenlijk als een verzamelnaam voor diverse, gerelateerde gangen.

Stap.

Langzame 4-slags pas.

Draf.

Snellere 2-slags diagonale pas. Fase-verschil tussen voor- en achterhand: 180 graden. Het paard maakt gedurende een derde deel van de tijd geen contact met de grond. Het voortdurend "opstijgen" en weer "landen" kost energie en voelt "hobbelig" aan.

Tölt.

Snellere 4-slags pas zonder zweefmoment. Fase-verschil tussen voor- en achterhand: 90 graden. Het paard heeft altijd minimaal met een hoef contact met de grond. Deze gang voelt zeer rustig aan en schijnt lang te kunnen worden volgehouden. Komt slechts bij enkele rassen voor. De oerpaarden gebruikten deze gang op harde ondergrond om de gewrichten te ontzien.

Galop.

Snelle 3- of 4-slags pas. Doorgaans snelste gang.

Telgang.

Snelle 2-slags pas. Fase-verschil tussen voor- en achterhand 0 graden. Deze gang voelt erg rustig aan maar is tevens zeer snel. De kleine IJslandse paarden bereiken hier snelheden mee tot 60 Km/h. Komt slechts bij enkele rassen voor. De oerpaarden gebruikten deze gang om snel weg te vluchten als er gevaar dreigde. Nadeel van telgang is dat het paard nauwelijks bochten kan maken.

www.paardnatuurlijk.nl

Teller